De Wake
- Gwenn Meert

- 13 jun
- 16 minuten om te lezen
28 augustus 1846
‘Weet u zeker dat u Sybil niet wilt verplaatsen naar de woonkamer, zoals gebruikelijk?’ Ik staar neer op het meisje. Haar blonde haren liggen in een wirwar rond haar gezicht, dat een stukje naar links gedraaid is. Een arm ligt wat ongemakkelijk over haar borst, en haar benen passen niet in de doodskist. Het lijkt wel alsof ze de primitieve houten kist is ingegooid.
‘Het blijft hier.’
‘Het?’ Met opgetrokken wenkbrauwen verplaats ik mijn aandacht naar mevrouw Bennett, de moeder van het dode kind. Ik weet dat ik best mijn mond houd, maar het glipte zo van tussen mijn lippen.
Mevrouw Bennett staart me serieus aan. Haar stem klinkt scherp wanneer ze zegt: ‘Je moet begrijpen, juffrouw Khoury, dat dit geen normale wake is. Moest dat het geval zijn, dan zouden we die zelf organiseren, en jou er niet voor inhuren.’
Ik bijt op de binnenkant van mijn wang. Toen ik vanochtend de advertentie in de Prixon Press las, voelde ik al dat er iets niet pluis was. Wie betaalt nu drie pond voor een wake van tweeënzeventig uur? Dat is meer dan het weekloon van een arbeider! Toch kon ik niet anders dan erop reageren. Niet nu mijn moeders gezondheid achteruitgaat en de artsen meer vragen dan voorheen.
‘Luister goed naar mijn instructies, Mariam,’ gaat mevrouw Bennett verder. Haar stem is zachter nu, alsof het geen autoritaire waarschuwing is, maar eentje uit bezorgdheid. ‘Het is van uiterst belang dat je het lichaam niet aanraakt. Blijf er het liefst zo ver mogelijk van weg. En laat niemand binnen. Er zijn geen bezoeken gepland.’
Verward staar ik de vrouw aan. Haar ogen staan bijna smekend, en angst kleurt de ruimte rondom ons. Het is net een ziekte die zich van haar huid op de mijne zet, en me aan het rillen brengt.
‘Waarom? Heeft Sybil dan geen familie buiten u? En waarom…’
…verwijst u naar haar alsof ze een ding is? Ik slik mijn laatste vraag in. Deze hele situatie is uiterst ongewoon. Normaal zou het lichaam in de woonkamer worden tentoongesteld, waar de familie een laatste groet kan brengen. Hier is het echter opgeborgen in een duistere kelderkamer. De ruimte is smerig, met vochtvlekken die onbehandeld zijn en spinnenwebben zo dik dat het lijkt alsof de mist een weg naar binnen gevonden heeft. De lucht draagt een gure stank en drukt op mijn longen.
Mevrouw Bennett schudt haar hoofd. ‘Er is niemand. De komende tweeënzeventig uur is het enkel jij en dat lichaam. Jouw enig doel is ervoor zorgen dat het niet terug opstaat.’
Ik adem scherp in, waardoor de gure lucht achter in mijn keel prikt. Heb ik dat nu goed gehoord? Dat het niet terug opstaat? Zou het normaal niet andersom moeten zijn? Is het niet mijn doel ervoor te zorgen dat Sybil niet levend begraven wordt?
‘God verbiedt het, maar moest het terug opstaan, dan dood je het. Niet twijfelen. Hier.’
Mevrouw Bennett neemt de bijl die tussen het gereedschap tegen de muur staat, en duwt het in mijn handen. Het ding is loodzwaar, wat maakt dat ik ongemakkelijk een stukje naar beneden zak en een pijnscheut door mijn rug voel. Ondanks de alarmbellen die in mijn binnenste afgaan, herstel ik me.
‘Mevrouw, ik kan niet…’
‘Jawel.’ Mevrouw Bennett legt de palmen van haar handen tegen mijn wangen. Ze voelen koud en klam. ‘Je hebt geen idee hoe belangrijk dit is. Zorg dat het niet opstaat. En wees veilig.’
De bijl staat spottend in de hoek van de kelder. De zon is intussen onder, waardoor de ruimte in schaduwen gehuld is. Het geeft het instrument een dreigende uitstraling, alsof het met elke nieuwe schaduw dieper naar me grijnst en zegt: ‘mij zal je nodig hebben!’
Moest het terug opstaan, dan dood je het.
De afgelopen uren is er niets gebeurd. Sybil ligt in de open kist, en ik dwaal als een doelloze ziel door de kelder, die groter is dan ik verwachtte. Bij het binnekomen zag ik enkel de eerste kamer, maar in totaal telt het er vier. De ene nog smeriger dan de andere.
Niet twijfelen.
Zuchtend draai ik me om naar Sybil. Ze ligt nog steeds zoals ik haar vanochtend vond, op die vreemde, respectloze manier in de kist gegooid. Starend naar een punt op het plafond. Ze namen niet de moeite haar ogen te sluiten, en de waarschuwing het lichaam niet aan te raken weerhoudt me ervan de taak op mij te nemen.
Mijn blik volgt de hare. Waarom ik het doe, weet ik niet. Het is hier al de hele dag zo akelig stil. Ik hoor niets of niemand; niet de familie Bennett die boven mij hun leven voortzet, en ook de voorbijgangers buiten niet. Zelfs de paardenhoeven zijn voor me gedempt. De enige manier waarop ik weet dat een kar voorbijraast, is doordat ik het voel trillen in de muren van dit gebouw.
Verder is er alleen maar doodse stilte.
Dus volg ik Sybils blik, om de illusie van interactie te creëren. Meteen heb ik spijt van mijn beslissing. Met een bonzend hart deins ik achteruit, waardoor ik bijna tegen de stoel bots die mevrouw Bennett voor me neerzette. Het liefst wil ik schreeuwen, maar er komt geen geluidje uit mijn keel. Ik blijf naar de loden pijp die iets onder het plafond hangt kijken.
Naar de uil die erop zit.
Het ding zit doodstil en staart me met grote ogen aan.
Een onheilspellend gevoel bekruipt me. Het tintelt via mijn vingertoppen omhoog en maakt me zwaarder, alsof het me de stoel wilt optrekken. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat het dier al de hele dag bij mij in dezelfde ruimte zit, en ik het niet opmerkte? Het heeft in al die uren geen kik geslagen!
Ik stap naar links. De vogel draait zijn hoofd om me te volgen. Enigszins paniekerig speur ik de kelder af, op zoek naar een raam. In de muur is een gat dat wat zuurstof en licht binnenlaat. Maar daar past geen uil door. Hoogstens een musje.
Het is me zeker niet ontgaan dat vogels – uilen! – een teken van onheil zijn. De woorden van mevrouw Bennett, hoewel door mezelf afgeschilderd als loutere hersenspinsels van een rouwende moeder, dringen naar de voorgrond.
‘Wat is hier toch aan de hand?’ fluister ik, terwijl ik de tweede, derde en tot slot de vierde kelderkamer doorloop. Hier zijn zelfs geen zuurstofgaten te bekennen. Hoe is het dan binnengekomen?
In gedachten verzonken loop ik terug naar Sybil, maar wanneer ik opkijk, is het dier weg. Mijn hartslag versnelt en ik onderzoek alle hoeken en kanten van de kelder, maar de uil is nergens te bekennen.
Ik plof neer op de stoel en wrijf over mijn slapen. Heb ik het mij dan ingebeeld? Ik dacht dat hallucinaties pas na een langere periode van eenzaamheid begonnen op te treden. Tenzij…
Resoluut schud ik mijn hoofd.
Daar wil ik niet aan denken.
29 augustus 1846
Wanneer de eerste zonnestralen me via het kleine gat in de muur bereiken, laat ik mijn ingehouden adem los. Mijn stramme schouders rol ik naar achteren. De wereld is altijd enger in het donker. Ik zou durven zweren dat ik vannacht talloze schaduwen zag bewegen uit mijn ooghoeken, maar nu het weer licht is, lijkt het allemaal zo onbenullig.
Ik wrijf de vermoeidheid uit mijn ogen. Mijn hoofd voelt zwaar, met een druk net achter mijn voorhoofd. Het is haast alsof mijn hersenen eruit willen springen en vol protest tegen mijn schedel duwen. Laat me los, los, los! Ik adem diep in en uit, knijp in mijn neusbrug. Blijf mijn bestaan niet langer ontkennen.
Gefrustreerd schiet ik recht van de stoel. Mijn hart klopt in mijn keel, en een hoge pieptoon weerklinkt in mijn oren. Ik probeer de ademhalingsoefeningen die mijn moeder moet doen na te bootsen, maar het heeft niet veel succes.
Wanneer de kelderdeur opengaat, verdubbelen mijn angst en adrenaline zich. Meteen spring ik naar voren, klaar om diegene die de ruimte betreedt aan te manen rechtsomkeer te maken. Mijn instructies wat betreft de bezoekersregeling waren duidelijk.
‘Mevrouw Bennett stuurt me,’ klinkt het sussend. ‘Ze zei me je voldoende te eten te brengen, zodat ik maar één keer naar beneden hoef te komen.’ Uit de schaduwen stapt een jongeman, zijn linkerhand opgestoken alsof hij zich verontschuldigt. Een huisknecht, te zien aan het simpele uniform en de grote mand vol lekkers dat hij met zich meebrengt.
Mijn oog valt op de broodjes en de glazen pot jam, de kruik melk en de zoete perziken die nu op zijn best zijn. Het is dan dat mijn maag begint te knorren. Ik plaats mijn hand over mijn korset in de hoop het orgaan tot stilte te manen en ontspan.
‘Dankjewel…?’ Ik staar hem vragend aan.
‘Jules,’ antwoord hij.
‘Jules, bedankt. Als je zo vriendelijk zou willen zijn mijn dank aan mevrouw Bennett over te brengen?’
De jongen knikt, maar treuzelt. Hij wekt een onrustige indruk: zijn ogen gaan schichtig door de kelderkamer, alsof hij zich elk moment aan een overval verwacht. Wanneer ze bij Sybil blijven hangen, hapt hij naar adem.
‘Alles is nog oké?’ tast hij voorzichtig af. Zijn ogen vinden de mijne. Ik lees er dezelfde emotie in als bij mevrouw Bennett. Pure angst laat zijn irissen schitteren alsof ze met olie overgoten zijn.
Maar waarom?
Ik besluit me er niet mee te moeien. Misschien was Sybil wel een rotkind dat iedereen de stuipen op het lijf joeg. Het maakt me niets uit, aangezien dag twee al is aangebroken. Nog twee dagen en één nacht, en ik mag hier weg.
‘Ze begint te ruiken. Ondanks de koelte hier, blijft het eind augustus. Maar verder geen complicaties. Hoewel…’ Mijn gedachten gaan terug naar de uil die me gisteren bleef aanstaren. Ik heb de hele nacht zitten piekeren over dat beest. Het hielp me om de slaap te slim af te blijven, maar mijn gedachten maakten me haast gek. Waar is het naartoe gegaan? Waarom was het zo akelig rustig…? ‘Heb je soms last van vogels, hier?’
‘Vogels?’ De huisknecht fronst bedenkelijk. ‘Een musje, af en toe. Verder niets. Waarom?’
‘Gewoon.’
De jongen knijpt zijn ogen tot spleetjes. Een paar tellen staren we elkaar aan. Dan spreekt hij de woorden die een ijskoude rilling door mijn lichaam sturen: ‘Het was geen uil, toevallig? Sybil had iets met die beesten. Als je een uil gezien hebt, dan zou ik maken dat ik wegkom, juffrouw Khoury. Dan heeft Sybil een manier gevonden om het hiernamaals te verlaten.’
Na het zien van mijn reactie op zijn woorden, was Jules de kamer uit gespurt. Met open mond staarde ik hem na. Het duurde even voor ik mijn lichaam, dat aan de grond genageld stond, weer in beweging kon brengen. Snel at ik een perzik, waarbij ik het zoete sap over mijn kin liet glijden om me weer tot mezelf te brengen. De verse melk maakte mijn ontbijt af, waarna ik opnieuw een ronde deed rond de kelder, op zoek naar de uil – of Sybil, als Jules gelijk had.
Het was een vruchteloze poging.
Intussen zijn we het middaguur alweer voorbij en zit ik voor de kist. Mijn ogen glijden over Sybils huid, op zoek naar aanwijzingen. Hoewel ik me eerder had voorgenomen mij niet te moeien met deze hele situatie, kan ik niet langer blijven ontkennen dat ik er het fijne van wil weten. Haar eigen moeder noemde haar een ‘het’, en het lijkt alsof haar reputatie ook tot bij de bedienden geraakt is. En dan is er nog de opdracht die als het zwaard van Damocles boven mijn hoofd hangt.
God verbiedt het, maar moest het terug opstaan, dan dood je het. Niet twijfelen.
Als vanzelf gaan mijn ogen naar de bijl, die nog steeds spottend in de hoek naar me staart. Een rilling doorklieft me, en ik wend mijn blik af.
De druk achter mijn voorhoofd versterkt. Slapjes hang ik in de stoel, niet in staat mijn oogleden open te houden. Mevrouw Bennett was duidelijk geweest voor we de kelder betraden. Dit was een job waarvoor ik tweeënzeventig uur wakker zou moeten zijn. Toen leek het wel haalbaar, maar nu zou ik het liefst in slaap dommelen en pas opstaan wanneer deze rotklus voorbij is.
Geeuwend draai ik mezelf rond in de stoel. Het is alweer een aantal uur geleden dat ik gegeten heb, of zo voelt het toch, dus dwing ik mezelf rechtop te staan. Na twee loodzware passen val ik tegen de keldermuur. Ik schuif neer tot ik met opgetrokken knieën naast de mand zit, en ik haal de pot jam eruit.
Suiker. Dat zal me wel wakker houden.
Ik neem een broodje en beleg het met een dikke laag jam. Té dik, want het prikt tot in het achterste van mijn kaken wanneer ik een hap neem. Verstomd staar ik voor me uit, naar de kist en de dode meid die erin ligt. Diezelfde vragen kronkelen door mijn hoofd. Waarom is iedereen bang van haar lichaam? En waarom wil niemand mij iets zeggen?
‘Mariam.’
Ik schrik op uit mijn gedachten. Met gespitste oren speur ik de kamer af.
‘Mariam Khoury.’
Het half opgegeten broodje glijdt uit mijn handen. Daar, naast de kist, staat een gestalte. Een vlek, veel donkerder dan de duisternis die me omringt. Mijn hart slaat een slag over wanneer mijn blik over de ellelange ledematen glijdt, en de omvang van de dreiging tot me doordringt.
Ik pers mijn rug harder tegen de muur, hoop dat ik erin kan verdwijnen.
‘Verzetten heeft geen zin, Mariam,’ klinkt het. De stem is nauwelijks hoorbaar. Het is meer een kille wind die langs mijn oren raast en de boodschap in het binnenste van mijn hoofd plant. Alsof het er altijd al ingezeten heeft, en de stem een poortje opent. Een poortje waarlangs mijn meest duistere angsten vrij-komen.
Ik krabbel overeind, mijn blik op de gestalte gepind. Het beweegt niet, zelfs geen zacht op-, en neergaan van de borstkas. Zo onnatuurlijk stil staat het naast Sybils kist.
‘Ga weg.’ Zeg ik resoluut.
De stof van mijn inmiddels vuile jurk schuurt tegen mijn handen nu ik mijn rokken vastklem alsof het reddingsboeien zijn. De gure keldergeur prikt in mijn longen, en het zware gevoel achter mijn ogen verdubbeld. Harde vuisten slaan tegen de binnenkant van mijn voorhoofd, waardoor ik haast dubbelklap van de pijn.
De gestalte laat zijn hoofd een stukje opzij zakken, alsof het me van een andere hoek wilt opnemen. Alsof het voelt wat er binnenin me gebeurt, en het beslist zich niet te moeien, omdat het zijn taak gemakkelijker maakt.
‘Ik zei…’ mijn ademhaling verzwaart en duizeligheid neemt me over. ‘Ga. Weg.’
Er is geen tijd om bang te zijn. Het is eerder kwaadheid dat me zo laat reageren. Een klein stemmetje binnenin me vraagt zich af waarom.
‘MARIAM!’
Mijn naam weergalmt luid door mijn hoofd en ik krimp in elkaar tegen de keldermuur. Instinctief sla ik mijn handen over mijn oren en knijp ik mijn ogen dicht. Ik hap naar adem, want nu mijn hart op hetzelfde ritme tegen mijn borstkas bonkt als de vuisten tegen mijn voorhoofd, dreig ik het bewustzijn te verliezen.
Woedend staar ik naar de gestalte. ‘Stop! St- ‘
De gestalte komt in beweging. Met grote passen rent hij naar me toe. Het gebeurt razendsnel; het ene moment staat hij naast Sybil, en het andere word ik in zijn duisternis opgeslokt. Ik grijp naar mijn keel, maar het verstikkende gevoel stopt niet. Het is haast alsof de dreigende schaduw zijn lange arm mijn keel in ramt. Happend naar lucht val ik op de grond, mijn ogen wazig van de tranen die erin sprongen.
‘Stop met je verzetten. Laat. Me. Binnen.’
Seconden voor ik het bewustzijn verlies, besef ik waarom ik helemaal niet bang was. Waarom ik eerder kwaad was dan angstig. Deze gestalte heeft niets met Sybil te maken.
Het hoort bij mij.
30 augustus 1846
Mijn ogen openen nauwelijks. Ze kleven aan elkaar met opgedroogde tranen, modder en restanten van mijn slaap. Ik probeer rechtop te krabbelen, maar mijn lichaam geeft niet mee. Alles voelt zwaar, gebroken. Alsof ik door een koets omvergereden ben.
Stilletjes wacht ik tot mijn zicht verscherpt. De nacht is weer voorbij. Jezus, ik moet in slaap gevallen zijn! Als mevrouw Bennett erachter komt… Paniek woelt in mijn binnenste, maar wordt gedempt door de gonzende hoofdpijn die weer de kop op steekt.
Kreunend draai ik mijn hoofd. Het half opgegeten broodje jam ligt op de grond, triggert een herinnering die ik het liefst diep in mijn hersenen had weggeborgen. De gestalte. Ik schiet overeind, wat me duizelig maakt. Mijn borst gaat snel op en neer, terwijl de gebeurtenissen van gisterenavond stillaan bij me terugkomen.
Ineens barst ik in lachen uit. Het geluid rolt door de vier ruimtes, waarbij het een golf aan echo’s creëert. Bijna alsof ik in groep ben, en iedereen lacht met een slechte mop. Het geschater lucht me op, en wanneer ik eindelijk uitgelachen ben, wrijf ik de tranen uit mijn ogen.
Een droom.
Het was niets meer dan een droom.
Dat ik in slaap gevallen ben, kan ik niet ontkennen. En er bestaan geen duistere schaduwen die hun armen in de kelen van jonge meisjes steken. Het was een nachtmerrie, gevormd door al de angst en geheimzinnigheid die rond het lichaam van Sybil hangt. Meng dat met slapeloosheid en het opgesloten zitten in deze kleine ruimte, en je hebt een perfect recept voor een angstdroom.
Ik sluit mijn ogen en doe wat ademhalingsoefeningen om het besef tot me te laten doordringen. Deze keer lijken ze wel te werken. De hoofdpijn gaat liggen, en mijn hart kalmeert. Pas wanneer ik volledig rustig ben, open ik mijn ogen.
De kist staat in het midden van mijn gezichtsveld.
En ernaast de grote, donkere gestalte.
De bijl voelt zwaar in mijn handen en mijn ogen prikken. Ik durf ze niet te sluiten! Wat als de gestalte weer beweegt wanneer ik knipper? Oppervlakkig haal ik adem. De paniek heeft plaatsgemaakt voor pure doodsangst. Het krioelt door me heen en maakt me hyperalert, maar ook extreem gefocust. Gefocust op één ding.
Het wezen naast Sybil.
We zijn intussen al een uur in een staarwedstrijd verwikkeld. Hoewel ik eerder in een zwarte afgrond staar – ogen heeft het ding niet –, voel ik zijn blik prikken in mijn huid. Sterker nog, het kruipt eronder en zet mijn zenuwstelsel in brand.
Nog even en mevrouw Bennett komt me halen, en dan is alles voorbij. Dit waren de vreemdste tweeënzeventig uur van mijn leven, en zodra ze mij groen licht geeft, ben ik van plan de kelder uit te stuiven en nooit meer terug te komen.
‘Nog een paar uur’, mompel ik binnensmonds, keer op keer op keer.
De gestalte lacht erom.
Mevrouw Bennett is niet gekomen. Een nieuwe nacht is aangebroken, en het zweet breekt me uit. Die verdomde vrouw heeft me alleen gelaten. De uren zijn allang voorbij, dus waarom ben ik hier nog?!
‘De tijd is om, Mariam.’
Snuivend klem ik de bijl sterker in mijn handen. Mijn knokels worden wit en mijn spieren trillen door het omhooghouden van het wapen, maar ik laat me niet kennen. Als mevrouw Bennett me niet komt halen, dan ga ik zelf wel weg. Met mijn ogen strak op het wezen gericht kom ik in beweging.
‘Ah, een ontsnappingspoging. Mijn favoriet.’
‘Hou je mond,’ snauw ik. De hoofdpijn komt weer op. Het overvalt me zo hevig en zo plots, dat ik steun moet zoeken bij de vochtige keldermuur. Ik slik in een poging mezelf te herstellen, maar alles draait. De kamer, de kist. De mand met voedsel en de stoel.
Alles behalve die verrekte demon.
Op de tast glijd ik langs de muur, richting de kelderdeur.
‘Je kan niet weg, Mariam. Je kan niet ontsnappen wat in je hoofd zit.’
Ik krimp in elkaar. ‘Je liegt.’
De gestalte lacht. Zijn inktzwarte hoofd volgt me terwijl ik dichter naar de deur ga. Mijn vingertoppen raken viezigheid en nattigheid aan, maar ik denk er niet over na. Hoe sneller ik weg ben van dat vervloekte kind, hoe beter. Wanneer ik de hendel in hand heb, voel ik een koude adem langs de zijkant van mijn gezicht. Geschrokken draai ik mijn hoofd naar links.
Sybil staat recht voor me.
Ik hap naar adem en deins achteruit. De gestalte lacht. Het weergalmt door de vier ruimtes, zoals mijn lachsalvo eerder vandaag. Het lacht om de manier waarop ik de bijl voor me houdt, de enige bescherming tussen mij en het lijk in.
Sybil staart me niet begrijpend aan. ‘Is alles oké met je?’ vraagt ze.
‘Achteruit!’ roep ik, wild zwaaiend met het wapen.
Het kind schrikt en doet een stap naar achteren, maar blijft me onderzoekend aanstaren. De demon lacht en lacht en lacht. Het lijkt wel alsof Sybil hem niet kan horen, alsof het een echo is in mijn hoofd.
‘Ik kan hulp voor je halen,’ zegt Sybil. ‘Moeder zal wel raad weten, als je me wilt…’
‘Neen!’ Ik staar naar haar hand, dat zich rond mijn arm heeft gevouwen.
Het is van uiterst belang dat je het lichaam niet aanraakt.
Met het gelach van de gestalte op de achtergrond, verlies ik de controle. Paniek maakt me blind, roekeloos. Ik zwaai met het wapen en raak Sybil. Hoewel mijn blik wazig is van tranen en razernij, het gevoel gedoemd te zijn voor eeuwig, hoor ik de smak waarmee het kind op de grond valt.
Maar ik stop daar niet. De angst van mevrouw Bennett en Jules is een rijke voedingsbodem voor mijn hysterie. Als een bezetene laat ik de bijl neerkomen op het lijk. Mevrouw Bennett zei me ervoor te zorgen dat het lijk niet meer opstaat, en dat is exact wat ik ga doen. Ik hak en blijf hakken tot stukken huid en beenderen in het rond vliegen. Tot ik uitgepunt naast Sybil neerzak en in tranen uitbarst.
Tot de demon eindelijk ophoudt met lachen.
31 augustus 1846
Een vreemde geur dringt mijn neus binnen. Steriel, zo ruikt het. Alcohol, azijn en bloed dat ze willen verdoezelen. Langzaam word ik wakker. Tussen mijn oogleden zie ik een hele rij bedden. Net ziekenhuisbedden. Opgelucht haal ik adem. Mevrouw Bennett heeft me gevonden! Ze is me dan toch komen halen, en heeft me in veiligheid gebracht!
‘Mariam? Mariam, ben je wakker?’
Ik frons. Het is niet mevrouw Bennett die me aanspreekt, maar een man. Een oude man, die gewoon is dat naar zijn bevelen wordt geluisterd. Ik hoor het aan de toon van zijn stem, een toon die geen tegenspraak duldt.
‘Mariam?’
‘Waar is Sybil?’ Mijn keel is hees, maar toch lukt het me de woorden te produceren. Ik durf te zweren dat ik haar bloed nog achter in mijn mond kan proeven.
‘Sybil? Er is geen Sybil hier, Mariam.’ De rimpelige man kijkt me onderzoekend aan. Hij legt zijn hand op mijn hoofd, en ik doe mijn best me niet weg te trekken. Zijn huid is net schuurpapier. ‘Je bent in het Psychiatrisch Gesticht van Prixon. Je hebt net een zware aanval van hysterie gehad.’
‘Hysterie?’ Ik schiet rechtop, maar die verdomde hoofdpijn maakt dat ik mijn ogen stijf dichtknijp. ‘Dat kan niet. Ik was bij de familie Bennett. Zij huurden me in om een wake te houden bij hun overleden dochter, Sybil.’
De dokters handen blijven een seconde te lang hangen. Met lage stem zegt hij: ‘Sybil Bennett? Mariam, Sybil is al een half jaar dood… Het is onmogelijk dat je een wake hield bij haar lichaam.’
‘Niet waar!’ Met ongecontroleerde bewegingen probeer ik los te komen uit het bed. Ik moet hier weg, moet terug naar de kelder. Naar mevrouw Bennett, en haar vertellen dat haar dochter…
Met opengesperde ogen staar ik naar het metaal rond mijn pols.
Ik hang vast aan het bed. Geboeid.
‘Wat…?’
De dokter zucht. ‘Je bent nooit bij de familie Bennett geweest. We vonden jou in een donkere steeg, helemaal verward. Je was al drie dagen vermist en serieus ondervoed. Volgens omstaanders at je een slecht geworden perzik en dronk je zure melk dat je achter het kleine restaurant in de vuilbakken vond. Mariam…’ Hij tilt mijn kin op en dwingt me in zijn ogen te kijken. ‘Je doodde een klein kind. Het arme meisje probeerde je te helpen, maar werd volledig gemassacreerd door de bijl die je te pakken wist te krijgen. Je… Je staat onder arrest.’
De wereld verstomd. Met grote ogen staar ik de dokter aan, die op me neerkijkt alsof ik de wortel van het kwaad ben. Ik kan mijn oren niet geloven. Hoofdschuddend ruk ik aan de boeien. Hoe langer zijn woorden door mijn hoofd weergalmen, hoe paniekerig ik word. Het duurt niet lang voor ik hysterisch de lakens van me afschop, schreeuwend om mevrouw Bennett.
Een scherpe prik laat me meteen ophouden.
Ik staar naar de lange naald van de spuit die de dokter vasthoudt. Er druipt nog een druppeltje af, dat als brandend zuur op mijn huid valt. Mijn zicht vervaagt. Ik hoor de dokter iets mompelen over een kalmeermiddel, maar kan het niet echt plaatsen.
Verdoofd val ik terug neer op het bed. Mijn hoofd draait naar links, naar de rij bedden achterin.
Daar staat de duistere gestalte naar me te lachen. De paniek die bij me opwelt versnelt mijn bloedstroom, waardoor het kalmeringsmiddel sneller zijn werk doet. Duisternis overvalt me.
‘Ik zei toch dat je niet kon ontsnappen,’ klinkt het in mijn hoofd.







Opmerkingen